Ik zoek een

meststof

bevattende

nutrient

voor

gewas

Zoeken
  • Bodemtextuur
    Voorkeur voor middelzware en zware bodems
  • Minimum temperatuur
    Temperaturen boven 0°C
  • pH
    Verdraagt licht zure tot alkalische bodem, optimaal: 6,2-7,2 pH
  • Waterbehoefte
    minstens 300-500 l/m²
  • Vernalisatie
    30-60 dagen bij 3-10 °C
  • Plantdichtheid
    Doorgaans tussen 220-450 korrels/m²
  • Zaaidiepte
    2-4cm
Wintertarwe
Vandaag wordt tarwe geteeld voor de bio-ethanol-, voeder-, bloem- en zetmeelproductie. De tarwerassen worden dan ook volgens hun kwaliteitskenmerken ingedeeld in verschillende klassen. De bemestingsstrategie hangt af van het productiedoel.         Hier speelt stikstof de belangrijkste rol.
Tarwe heeft een voorkeur voor een middelzware tot zware bodem met een neutrale pH. Lichte en zandgronden drogen doorgaans sneller uit in de lente. Tarwe heeft voldoende water nodig, waardoor droogte al snel massale opbrengstverliezen veroorzaakt.
Hoofdzaken
  • NPK+S bemesting in d eherfst is een goede basis
  • N+S-meststof bij opkomen van de aren voor gunstig effect op opbrengst en eiwitgehalte
  • N-meststoffen op basis van nitraat zijn het meest geschikt voor teelt
  • gebruik van de N-Pilot voor optimale N-voorziening
Algemene informatie
Algemene informatie
Voedingsstoffenbehoefte
Voedingsstoffenbehoefte
Bemesting
Bemesting
WINTERTARWE EN DE BEHOEFTEN ERVAN VOOR GEWASPRODUCTIE
De normale zaaitijd is tussen begin en einde oktober, en vaak later. Afhankelijk van de omstandigheden ter plaatse, het ras en de zaaidatum bedraagt de zaaidichtheid tussen 250 en 450 korrels per m².  Onder deze omstandigheden kan het aantal aardragende halmen, zelfs bij het verwachte uitlopen, sterk uiteenlopen, van 450 tot 600 per m², gezien de variaties in “aartype” (bij voorkeur dieper) en gewasdichtheid (bij voorkeur hoger).
Hoewel de wortels tot 120 cm diep in de grond kunnen doordringen, heeft tarwe toch minstens 300-500 mm neerslag per jaar nodig. Als aanvullend water wordt voorzien, kan de opbrengst nog hoger worden.
Afhankelijk van het ras bedraagt de optimale totale warmte voor tarwe 1.800-2.200 °C, dus kan tarwe in zowat elk gebied worden geteeld. 
Wintertarwe heeft een evenwichtige voedingsstoffenvoorziening nodig
Het is zinvol om een bemestingsplan op te stellen op basis van de zaaiomstandigheden vóór de teelt en de hoeveelheid belangrijke voedingsstoffen in de bodem (fosfor, kalium en magnesium). Het is essentieel dat de juiste hoeveelheid voedingsstoffen volgens een vaste strategie en op de juiste momenten wordt toegediend. Afhankelijk van de opbrengst wordt door tarwe een grote hoeveelheid voedingsstoffen aan de bodem onttrokken (zie tabel). De hoeveelheid voedingsstoffen die de bodem na de oogst bevat, ligt ver onder de onttrekkingshoeveelheid. Opdat de bodem vruchtbaar zou blijven, moeten de opgenomen voedingsstoffen worden teruggegeven. Daarvoor kan organische of kunstmest worden gebruikt, of een evenwichtige combinatie van beide.
Onttrekkingshoeveelheden voor wintertarwe

Element

Opname

(Eenheid/ ton productie)

Verwijdering

(Eenheid/ ton productie)

Gevoeligheid voor gebrek

N

30

22

Erg gevoelig

P2O5

9

8.5

Erg gevoelig

K2O

15

5

Gevoelig

MgO

2.5

1.9

Gevoelig

SO3

8

7

Erg gevoelig

TE

copper (Cu) (150g/ha in granite soils) and manganese (Mn) (500g/ha in humus soils)

In de tabel wordt zowel de voedingsstoffenopname door het gewas als de onttrekking per ton van het gewas weergegeven. Tarwe is uiterst gevoelig voor N-tekorten, maar ook fosfor en sulfaat spelen een belangrijke rol bij tarwebemesting. Voorbeeld: Tarwe neemt bij een productiedoelstelling van 8 t/ha (14% ruw eiwit) 240 kg N/ha op. Als de bodem gemiddeld voorziet in een zekere hoeveelheid N (bijvoorbeeld 50 N/ha) en bovendien nog N beschikbaar is dankzij een vlinderbloemig gewas als tussengewas (bv. 30 N/ha), moet nog 160 kg N/ha d.m.v. bemesting worden toegediend. Bij de oogst zou 176 kg N/ha aan het veld worden onttrokken.
Wintertarwe wordt meestal op 3 of 4 maal in het voorjaar bemest, afhankelijk van de beoogde productie en het gewenste eiwitgehalte.

Eerste keer toedienen in het voorjaar

Tweede keer toedienen in het voorjaar

Derde toepassing

Eerste keer toedienen in het voorjaar

Eerste dosis in het voorjaar bij het begin van de vegetatie: De eerste dosis of bemesting in het voorjaar is cruciaal voor een snelle en vroege groeistart. Deze dosis is cruciaal voor het uitlopen en beïnvloedt de vorming van de aren/m². Speciaal na de winter dient zowel fosfor,kali en zwavel te worden toegediend voor een optimale start van de vegetatie. Er dient bijzondere aandacht te worden besteed aan de stikstofvorm. Onder deze omstandigheden is enkel nitraatstikstof goed beschikbaar. De omzetting van ammonium in nitraat kan bij een bodemtemperatuur van 5 °C enkele weken duren. Dat betekent dan weer dat de toegediende stikstof te laat werkzaam zou worden. Bij te koud weer is de fosfor in de bodem mogelijk nog niet vrijgesteld, in zulke situatie heeft het zin om een NP meststof met wateroplosbare fosfor toe te passen. Als om één of andere reden de herfstbemesting niet plaatsvond is dit het juiste ogenblik om de ontbrekende NPK bemesting toe te passen. In dit geval kunnen we in plaats van een stikstofbemesting een NPK bemesting toe passen, maar het is extreem belangrijk om te kijken naar de wateroplosbaarheid van de fosfor en de hoeveelheid makkelijk opneembare stikstofvorm (nitraat) in de gebruikte meststof.

Tweede keer toedienen in het voorjaar

Dosis bij het begin van het doorschieten: De tweede dosis wordt bij wintertarwe toegediend tijdens de periode van het begin van het doorschieten tot het 2-knopenstadium (EC 30-32). Tijdens deze periode ontwikkelt de halm zich in de stengel en deze fase is cruciaal voor de vorming van de korrels per aar. Bij een grotere gewasdichtheid moet iets later worden bemest (EC 32). Zo krijgt de tarwe genoeg tijd om het aantal scheuten te beperken door een tekort aan stikstof. Als de dichtheid te laag is, moet elke halm een productieve aar ontwikkelen. In dat geval moet de tweede dosis vroeger worden toegediend (EC 30) zodat er geen scheuten verloren gaan. Van EC 31 tot EC 39 verbruikt tarwe elke dag grote hoeveelheden stikstof. (Tot 5 kg N/ha/dag). Daarom moet de gecombineerde hoeveelheid stikstof van de 1ste en de 2de dosis groot genoeg zijn (120-140 kg N/ha). De gewasdichtheid kan dan weer het best worden geregeld met nitraatstikstof.

Derde toepassing

Dosis voor aarvorming: De derde en eventuele vierde keer toedienen vindt plaats vanaf de verschijning van het vlagblad (EC 37) tot het begin van de vorming van de aren & de bloei. In deze stadia heeft het toedienen van stikstof een aanzienlijke invloed op het korrelgewicht en het eiwitgehalte. De derde dosis welke noodzakelijk is voor bemestingstrategie "opbrengstverhoging", wordt toegediend tijdens het vlagbladstadium (EC 37-39). In dit stadium wordt de kwaliteitstarwe bemest. Als er reeds een hoge eerste en tweede fractie Stikstof werd toegediend en de opbrengstverwachting is laag kunnen we bij voedertarwe afzien van een derde fraktie. Nochthans kan bij de optie kwaliteitstarwe aan het stadium: uitkomen van de aar (EC 49-51) of zelfs later de bemesting plaatsvinden. In dat geval wordt niet zozeer de opbrengst, maar wel het eiwitgehalte beïnvloed. In dit stadium wordt kwaliteitstarwe bemest. Als stikstofbron horen nitraatstikstofmeststoffen te worden gebruikt (NAC 27 N, AN 33,5 N). Actuele testresultaten tonen echter een hoger eiwitgehalte aan als in dit stadium een N+S-meststof wordt gebruikt (ASN, NAC + S 24 N + 17SO3, VARIO 23 N + 25SO3). In droge gebieden of bij een uitzonderlijk droog voorjaar, kan de derde fractie vanzelfsprekend worden overgeslagen, of zeer klein zijn.