Ik zoek een

meststof

bevattende

nutrient

voor

gewas

Zoeken
  • Bodemtextuur
    middelzware bodem, zonder stagnerend water
  • Minimum temperatuur
    Groei vanaf 4 °C
  • pH
    Verdraagt licht zure tot enigszins alkalische bodems; optimale pH: 7,0
  • Waterbehoefte
    min. 500-600l/m2
  • Vernalisatie
    30-60 dagen bij 3-5 °C
  • Plantdichtheid
    Afhankelijk van datum en soort 40-60 korrels/m²
  • Zaaidiepte
    2-3cm
Winterkoolzaad
Net als tarwe heeft koolzaad een voorkeur voor middelzware gronden en een bodem met een zo neutraal mogelijke pH-waarde. Door zijn sterke penwortel is het geschikt voor vele locaties, zelfs als de grond droger en lichter is. Koolzaad heeft 500-600 mm neerslag nodig en een totale warmte van ongeveer 2.600 °C voor een optimale opbrengst. Voldoende kalium in het najaar verbetert de vorstbestendigheid.
Hoofdzaken
  • Grotere behoefte aan kalium dan graan
  • Vereist voldoende kalk
  • 30-40kg/ha (75-100kg SO3) zwavel voor de eerste toepassing in de lente
  • Bemesting met boor niet vergeten!
Algemene informatie
Algemene informatie
Voedingsstoffenbehoefte
Voedingsstoffenbehoefte
Bemesting
Bemesting
WINTERKOOLZAAD: GOEDE OPBRENGSTEN EN HET IDEALE TUSSENGEWAS
Een van de belangrijkste factoren voor een succesvolle koolzaadoogst is de teeltomstandigheden te optimaliseren. Een fijn zaaibed, de optimale zaaidichtheid (40-60 korrels/m²) afhankelijk van ras en zaaidatum en de juiste teeltdatum (15 augustus tot 10 september) vormen de basis voor een succesvolle start van de groei. Hybride rassen worden meestal later en dunner gezaaid (40 korrels/m²).
Er zijn veel factoren die een optimale opbrengst bepalen. De vruchtwisseling, de zaaidichtheid, de doorwortelbaarheid van de bodem (koolzaad lijdt vooral onder bodemverdichting en versmering) en de optimale verdeling van voedingsstoffen en neerslag zijn allemaal even belangrijk. Om een grote opbrengst te verkrijgen, is gewasbescherming bij koolzaad van bijzonder belang.
Optimale voedingsstoffenvoorziening voor koolzaad
Door de lange vegetatieperiode en de enorme groenmassavorming neemt koolzaad grote hoeveelheden voedingsstoffen op die moeten worden geleverd door de bodem en bemesting. De voedingsstoffenbehoefte voor de groei is aanzienlijk groter dan de onttrekking bij de oogst. Voor een hoge opbrengst is de hoeveelheid N waarin de bodem voorziet in het najaar meestal niet genoeg; bemesting in het najaar ondersteunt de vorming van planten die een goede opbrengst leveren. Als organische mest wordt gebruikt, hoort dat te worden gedaan vóór de teelt. Het gebruik van snel oplosbare kunstmest wordt aanbevolen vanaf het 4-bladstadium. Door de plant van minder voedingsstoffen te voorzien aan het begin van de groei wordt bij koolzaad het leiden van de penwortel ondersteund. Een optimale fosfaatvoorziening is van belang voor een toereikende zetmeelvorming. Als de pH-waarden en temperaturen in het voorjaar lager zijn, wordt een tekort snel merkbaar aan een paarsachtige verkleuring door bodemverdichting en stagnerend water. Een cruciale voedingsstof voor koolzaad is zwavel. 1 kg zwavel (2,5 kg SO3) beïnvloedt de omzetting van 10 kg stikstof. Een tekort eraan veroorzaakt vaak ernstige aantasting door ongedierte dat zich voedt met de eiwitverbindingen die op dat moment nog onvolledig zijn. NPK-meststof met zwavel in het najaar en N+S-meststof in het voorjaar voorzien de gewassen van voedingsstoffen. Koolzaad heeft behoefte aan kalk: ongeveer vijf tot acht keer zoveel als graan. Ongebluste kalk (bij lage pH) of gemengde kalk (bij een licht zure pH) zijn gepast gebleken voor de teelt. Kalkmeststoffen met zwavel (bijvoorbeeld gips of kalkcarbonaat met zwavel) zouden ook geschikt zijn in het voorjaar. Om de benodigde hoeveelheden voedingsstoffen te bepalen, worden de onttrekkingshoeveelheden gebruikt.
Onttrekkingshoeveelheden voor winterkoolzaad

Element

Opname

(Eenheid/ ton productie)

Verwijdering

(Eenheid/ ton productie)

Gevoeligheid voor gebrek

N

70

43

Erg gevoelig

P2O5

14.6

12.5

Gevoelig

K2O

25.1

8.5

Erg gevoelig

MgO

4.3

3.5

Gevoelig

SO3

18

7.1

Erg gevoelig

TE

500-1000g/ha boron (B), splitted and combined with pesticides in autumn and spring; 15-25g/ha molybdenum (Mo)

In de tabel worden de opname en onttrekking per ton koolzaadopbrengst weergegeven. Volgens deze gegevens heeft koolzaad vooral behoefte aan stikstof, kalium en zwavel. Er moet ook voldoende fosfor en magnesium aanwezig zijn. Voorbeeld: Een koolzaadopbrengst van 4 t/ha neemt 280 kg N/ha op. Als een bepaalde hoeveelheid N uit de bodem wordt geabsorbeerd (bijvoorbeeld 80 kg N/ha), dan moet nog 200 kg N/ha worden toegevoegd d.m.v. bemesting. Bij de oogst zou immers 172 kg N/ha aan het veld worden onttrokken.
De juiste bemestingsstrategie voor winterkoolzaad
Bij koolzaad moeten de voedingsstoffen in verschillende fasen worden voorzien. Het is daarom zinvol om ze op te delen in ten minste drie perioden.

Koolzaad levert een opbrengst dankzij afzonderlijke planten met sterke wortels, een optimale, niet overmatige groei in het najaar (diameter van de wortelhals >1 cm en 8-12 bladeren), een ongestoorde en weelderige groei in de lente, van de groei van scheuten tot het begin van de bloei, en een evenwichtige voedingsstoffen- en watervoorziening van het begin van de bloei totdat de plant volgroeid is.

Opbrengstparameters voor koolzaad:
• aantal planten/m²;
• aantal hauwen/plant;
• aantal zaden/hauw;
• korrelgewicht (TGW).

Bemesting in het najaar

Eerste keer toedienen in het voorjaar

Tweede keer toedienen in het voorjaar

Bemesting in het najaar

Herfstbemesting - de meest belangrijke bemesting. Koolzaadheeft een derde van zijn voedingsstoffen al nodig in de herfst. Daarom kan dierlijke mest optimaal worden gebruikt. Alle opbrengstparameters (bloemen op de zijscheuten) worden reeds in het najaar gevormd. In het optimale geval telt de plant voor de winter 8-12 bladeren en heeft ze een sterke penwortel (diameter wortelhals >1 cm) waardoor de hergroei in de lente zo vroeg mogelijk kan beginnen. Een goede winterhardheid wordt ook verzekerd door de aanwezigheid van voldoende kalium. Koolzaad kan ook in de herfst met stikstof worden bemest, ongeacht voorvrucht en zaaidatum. Indien oogstresten van de vorige gewas aanwezig zijn en moeten verteren kan de bodem zelfs te weinig stikstof naleveren. Indien te veel drijf- of kunstmest wordt toegediend, wordt het gewas te fors, waardoor de vegetatie te hoog wordt en de winterhardheid sterk achteruitgaat.

Eerste keer toedienen in het voorjaar

Bemesting in het voorjaar bij het begin van de vegetatie De eerste dosis bij het begin van de vegetatie dient voor de hergroei van de bladrozet en bevordert reeds aanwezige bladeren en bloemen op de groeitop. Naast de vorming van bloemknoppen op de zijscheuten ondersteunt het ook de lengtegroei van de stengel en de latere vertakking van de planten. Onderontwikkelde gewassen die minder dan 6 bladeren tellen, hebben sterkere bemesting nodig, terwijl sterk ontwikkelde planten in de herfst al meer voedingsstoffen hebben opgenomen en daarom nauwelijks worden. In elk geval brengt bmestingvan stikstof en zwavel meer op dan stikstofbemesting alleen. De stikstoftoediening aan het begin van het vegetatieseizoen hangt af van de staat van ontwikkeling van de koolzaadplanten. Bij een dichtheid van 30 planten/m² hebben gewassen met 12 bladeren en een wortelhalsdiameter van 15 mm al 100-130 kg N/ha opgenomen, terwijl planten met 8 bladeren en een wortelhalsdiameter van 10 mm ongeveer 40-50 kg N/ha hebben opgenomen bij dezelfde gewasdichtheid. In onderontwikklede gewassen zal de voorjaarsbemesting signifikant hoger zijn, een dosis van 80-100kg N/ha is hier aangewezen als bemesting. De goed ontwikkelde gewassen behoeven minstens 50-70kg N/ha als start dosis.

Tweede keer toedienen in het voorjaar

Dosis bij het begin van de lengtegroei Bij het begin van de lengtegroei kan in het voorjaar een tweede maal worden bemest. Dit bevordert de lengtegroei van de zijscheuten. Het verzekert de stikstofvoorziening van de bloem en vervolgens de vruchtvorming, zodat een goede hauw- en korrelstructuur wordt verkregen. Tot aan de bloei nemen koolzaadplanten ongeveer 75% van de totale hoeveelheid stikstof op. Aangezien geen merkbare aanvulling van voedingsstoffen kan worden verwacht terwijl de bodemtemperatuur nog laag is, hoort de tweede dosis tijdig te worden toegediend aan de stengel, voordat de bloemknoppen verschijnen — de planten zijn nu 15-25 cm hoog. De hoeveelheid stikstofbemesting hangt af van de hoeveelheid die eerder is toegediend. Gewassen die reeds voldoende bemest zijn voor de winter krijgen een lagere dosis, en worden tijdens de tweede gift in de lente de hoogste dosis stikstof. Slecht ontwikkelde, of laat bemeste gewassen krijgen in de lente tijdens de eerste gift 2/3 van de N hoeveelheid en 1/3 tijdens de tweede gift. Het is op dit moment ook belangrijk dat er voldoende kalium wordt toegediend, omdat de planten nu elke dag tot 7 kg/ha kalium kunnen opnemen.